Oudheid

 

Over muziek uit de oudheid zijn we slechts beperkt geïnformeerd.

Overgeleverde schilderingen en objecten geven ons een beeld van instrumenten en dansen in de Egyptische, Griekse en Romeinse cultuur.

Van Plato en Aristoteles zijn geschreven verhandelingen over muziek bewaard gebleven. Muziek was voor hen vooral verbonden met opvoeding en ethiek.

Plato gaat ook in op technische aspecten van muziek. Zijn theorieën zullen in de westerse beschaving lange tijd blijven doorwerken. Vooral via het Neo-Platonisme krijgen zijn ideeën grote invloed op de muziekbeschouwing in Middeleeuwen en Renaissance en de Duitse Barok.

 

In Palestina blijkt muziek een belangrijk onderdeel van de godsdienst geweest te zijn.

In de bijbel wordt op diverse plaatsen uitgebreid ingegaan op de rol die muziek in het godsdienstig leven van Israël gespeeld heeft. Het boek van de Psalmen is niet alleen voor het jodendom, maar ook later voor het christendom een zangboek bij uitstek geworden.

De meeste muziek van de Oudheid is waarschijnlijk improvisorisch van aard geweest. Als er overlevering van muziek zal zijn geweest, was die vooral auditief. (Muzieknotatie bestond nog niet).

Afbeelding uit ca. 1000 v.Chr. van Koning David die Psalmen zingt.

 

 

 

Gregoriaans

 

Het oudst overgeleverde muziekrepertoire van de Westerse muziek is het Gregoriaans. Deze muzieksoort ontleent haar naamgeving aan Paus Gregorius de Grote (ca. 600). Lang heeft men gedacht dat hij de componist van deze muziek is geweest, maar tegenwoordig benadrukt men vooral zijn rol als organisator van de liturgie en muziek voor de eredienst. Hij was de stichter van een Schola Cantorum. De muziek werd aanvankelijk auditief overgeleverd.

Ca. 800 begint men in de kloosters (de enige centra waar men leerde lezen en schrijven) met pogingen om naast de teksten van de gezangen ook de melodie te noteren met een stelsel van neumen. De interpretatie van deze neumen is zeer gecompliceerd.

 

Karel de Grote (ca. 800) speelt een belangrijke rol bij de uniformering van de Romeinse Liturgie in de westerse kerk. Hij is degene die de idealen van Gregorius de Grote (in de hele wereldkerk één taal en één vorm van liturgie) zal verwezenlijken.

 

Karel de Grote trekt met zijn leger op (afbeelding ca. 1000)

 

Over de oorsprong van het gregoriaanse repertoire bestaat weinig zekerheid. Men vermoedt dat invloeden vanuit de Joodse eredienst en de vroeg christelijke oosterse muziektraditie hebben doorgewerkt. Zekerheid daarover bestaat echter niet.

 

Het Gregoriaans is muziek die verbonden is met de liturgie (openbare, gemeenschappelijke eredienst) van de christenen. Het is geen concert-muziek. Het is muziek die onlosmakelijke verbonden is met de liturgie. Elk onderdeel van de liturgie bestaat uit bepaalde rituele handelingen, gebeden, bijbellezingen en gezangen.

 

Michaeliskirche te Hildesheim 1010-1033

 

De liturgie bestaat uit de Mis (eucharistieviering) en het Officie (gebeden op vaste uren, getijden genoemd).

De mis is de belangrijkste eredienst in de katholieke kerk. De aanduiding van deze eredienst als mis is terug te voeren op de slotformule van de dienst: Ite missa est.

Ite missa est

 

Het belangrijkste moment van de katholieke eredienst is de viering van het Laatste Avondmaal (Lucas 22: 19-20): brood en wijn worden geconsacreerd (Consecratie) en aan de gelovigen uitgedeeld. (Communio). Als de mis in de volledige ceremoniële vorm wordt gevierd spreekt men van een Missa Solemnis.

 

Dom van Speyer 1030-1061

 

Dom van Speyer, middenschip met blik op het koor

 

In de Mis kent men een gedeelte dat men Ordinarium (het gewone of vaste deel) en een gedeelte dat men Proprium (het dag-eigene of het per dag wisselende gedeelte) noemt.

Het ordinarium bestaat uit 5 delen die elke mis gelijk van tekst zijn:

 Kyrie eleison

 Heer ontferm U

 Gloria in excelsis Deo

 Ere zij God in de hoge

 Credo (in unum Deum)

 Ik geloof in één God

 Sanctus en Benedictus

 Heilig en Gezegend die komt in de naam...

 Agnus Dei

 Lam Gods, dat wegdraagt den zonden..

Kyrie I

 

Al naar gelang het feest belangrijker is, zullen ook de gezangen rijker zijn.

Kyrie II heeft een rijkere melismatiek (zie hieronder).

Kyrie II

 

Het propium kent als gezangen o.a.

 Introïtus

 Intochtszang

 Graduale

 Tussenzang (tussen de lezingen)

 Alleluia

 Tussenzang

 Offertorium

 Voorbereidende zang bij het offer

 Communio

 Zang tijdens de communie

 

Een speciale mis is de doden- of Requiem-mis. Enkele vaste onderdelen zijn vertegenwoordigd (het Gloria en het Credo ontbreken). Deze mis ontleent haar naam aan het eerste woord van het Introïtus gezang: (Requiem aeterna dona eis Domine).

Het gregoriaans wordt eenstemmig door mannen gezongen. Wordt het in twee wisselende groepen uitgevoerd dan noemt men dat antifonaal; wordt het uitgevoerd in een wisseling tussen een groep en een solist dan noemt men dat responsoriaal. Als er geen wisseling tussen groepen of tussen solist en groep plaats vindt spreekt van een directe uitvoering.

De stijlen waarin het gregoriaans geschreven is, zijn:

 

syllabisch (overwegend één noot per lettergreep)

Antifoon: Dum complerentur

 

neumatisch of oligotoon (enkele noten per lettergreep)

Introïtus Requiem-mis

 

melismatisch (meer noten per lettergreep)

Antifoon van Graduale: Haec Dies (1e Paasdag)

 

 

Psalmtoon

Psalm- en reciteertonen behoren tot de oudste Gregoriaanse gezangen. De psalmtoon wordt gebruikt voor het cantileren van proza psalmen uit de Bijbel. Het belangrijkste kenmerk van dit type zang is dat het de natuurlijke spraak probeert te volgen. Verrijking van de psalmtoon met cantilaties zou geleid hebben tot de andere vormen. Sommige mensen menen dat het gehele gregoriaans repertoire zich hieruit ontwikkeld heeft.

Deus in adiutorium meum intende

De reciteertoon, ook wel tenor genoemd, wordt voorafgegaan door een inleidende formule van 2 of 3 tonen die het initium heet. Halverwege de regel vindt een middencadens (meditatio) plaats, vervolgens wordt de regel voort gereciteerd en afgesloten door een slotcadens (terminatio).

Psalmtoon: Dixit Dominus

Er zijn psalmtonen voor elk van de acht kerkmodi: dorisch, hypo-dorisch, phrygisch, hypo-phrygisch, lydisch, hypo-lydisch, mixolydisch en hypo-mixolydisch.

De negende psalmtoon is een onregelmatige omdat de reciteertoon (de tenor, waarop de meeste lettergrepen worden gezongen) verschilt in de voor- en de nazin. Daardoor schuift de melodie door twee verschillende kerktoonsoorten en heet dan ook tonus peregrinus (zwerftoonsoort). Zo bestrijkt hij alle tonen en is daarom geschikt voor verwerking in tonale composities.

 

De uitvoering van het gregoriaans is in handen van de geestelijkheid

 

Hymnen

Een min of meer aparte plaats in het Gregoriaans nemen de Hymnen in. De oudste hymnen stammen uit de tijd van bisschop Ambrosius. (ca. 350). Ze hebben een strofe-vorm (=coupletvorm): 4 regels van elk 4 jamben. De tekstplaatsing bij de hymnen is syllabisch. Deze eenvoudige gesloten vorm maakte zang door de gemeenschap goed mogelijk, terwijl het overgrote deel van het Gregoriaans voor volkszang te ingewikkeld was en dus door de schola moest worden uitgevoerd. De hymne verliest zijn plaats in de mis al vrij vroeg in de geschiedenis en wordt later alleen nog maar in de getijden in de kloosters gezongen.

Hymne Veni Creator Spiritus

 

De hymnen zijn vaak overgeleverd in prachtige manuscripten.

Veni Creator Spiritus uit: Cistencienzer Graduale eind 12e eeuw Zwett, Oostenrijk .

 

 

 

Ontwikkelingen in het Gregoriaans.

 

Zoals reeds opgemerkt, is de oudste overlevering van het Gregoriaans mondeling geschied. Invloeden vanuit de Joodse traditie en ook de Byzantijnse traditie mogen aangenomen worden. Omstreeks de negende eeuw neemt het Gregoriaans een min of meer vaste vorm aan. Vooral tijdens het bewind van Karel de Grote wordt de uniformering van de katholieke eredienst, en dus ook van de zang, met vaste hand geregeld. Deze periode wordt ook wel de Karolingische Renovatio genoemd, omdat de cultuur naar inzichten van die tijd hernieuwd werd naar oude voorbeelden. Hoe groot de Frankische invloed uiteindelijk op het oorspronkelijk Romeinse Gregoriaanse repertoire is, is niet meer goed na te gaan. De schriftelijke traditie van het repertoire begint immers pas ca. 900 en dan is de uniformering reeds een feit. Ca. 900 wordt de legende verspreid, dat Paus Gregorius de Grote (ca. 600) zelf de auteur van het gehele oeuvre zou zijn. Er verschijnen prachtige illustraties waarbij de Paus op zijn troon gezeten het Gregoriaans aan één van zijn dienaren dicteert, terwijl een duif (symbool van de Heilige Geest) hem de melodieën ingeeft.

Gregorius de Grote naar een afbeelding uit de 9e eeuw.

 

Gregorius op zijn troon met inspiratie door de Heilige Geest (Afb. 11e eeuw)


De notatie van de melodieën begint ca 900 in een moeilijk leesbaar neumenschrift.

Graduale bij In die ascensione Domine (hemelvaartsdag)
(ca 1050 Bologna)

 

 

Miniatuur bij In die ascensione Domine (hemelvaartsdag)
(ca 1050 Bologna)

 

Ca 1100 begint men met de z.g. kwadraatnotatie. De vierlijnige notenbalk, die vermoedelijk van Guido van Arezzo afkomstig is, kent 2 sleutels. De sleutels worden ook wel de c     en f   sleutel genoemd, waarbij direct moet worden opgemerkt, dat in het Gregoriaans beslist geen absolute toonhoogte wordt genoteerd. De verschillende tekens waarmee men de toonhoogte op deze vierlijnige balk noteert noemt men neumen. In de huidige uitvoeringspraktijk gaat men er meestal vanuit dat alle noten min of meer een gelijke duur hebben, ongeacht de vorm. Een punt achter een neum interpreteert men als een verdubbeling van de lengte van de neum, terwijl men twee of meer noten van dezelfde hoogte direct achter elkaar ook meestal als één toon uitvoert, mits die neumen boven één lettergreep staan genoteerd.

Gregoriaans Handschrift (11e eeuw)

 

Miniatuur met Resurrexi (Frankrijk 14e eeuw)

 

Na de Karolingische Renovatio staat het Gregoriaanse repertoire min of meer vast. Er vinden nog wel enkele uitbreidingen van het repertoire plaats, maar omdat men nu scripturaal gaat overleveren, komt het reproducerende boven het creatieve te staan. Bovendien blijkt de grote voorkeur van de Frankische koningen naar uniformeringen verdere ontwikkeling niet te bevorderen.


Tropen

In de 10e en 11e eeuw zien we een nieuw verschijnsel optreden dat met de term tropen wordt aangeduid. Een vorm van tropering was het uitbreiden van het gregoriaans gezang met de bedoeling om de bestaande tekst en muziek aan te vullen of te intensiveren. Een andere vorm van tropering was het inlassingen van liturgische teksten, syllabisch geplaatst onder lange melismata, om de melodie gemakkelijker te kunnen onthouden. Vooral de tropering van de lange melismata in het Kyrie was populair.

Kyrie met tropering Fons bonitatis

 

Sequentia

Een speciale vorm van tropering is de Sequentia. Dit is de tropering van het lange melisme waarop het alleluia eindigt. Dit lange melisme wordt ook wel jubilus genoemd. Ook op dit melisme werden liturgische teksten syllabisch geplaatst. Er trad bovendien een vervorming van de oorspronkelijke melodie op en vaak kregen deze Sequentia de vorm van aa bb cc dd etc. Er zijn in de loop van de 13e en 14e eeuw ca 6000 sequentia geweest. Het Concilie van Trente (medio 16e eeuw) beperkt het aantal tot 5. Een heel beroemde en nog steeds geliefde sequentia is Victimae paschali laudes.

Sequentia: Victimae paschali laudes

 

Ook het beroemde Dies Irae, dat later door veel componisten bewerkt zal worden als zij een meerstemmig Requiem componeren, is een Sequentia die door het concilie van Trente gehandhaafd wordt. (Berlioz gebruikt de melodie van het Dies Irae in het laatste deel van zijn Symfonie Fantastique.)

Sequentia: Dies Irae


Liturgisch Drama.

Een heel aparte plaats neemt het liturgisch drama in. Voorafgaande aan de mis op Kerst werd het kerstverhaal uitgespeeld op het kerkplein. In gezongen dialogen werd het kerstverhaal voor het volk begrijpelijk gedramatiseerd. Ook zijn er voorbeelden van Paasspelen. In de 12e eeuw wordt het liturgisch drama ook uitgebreid naar andere min of meer dramatische verhalen uit de Bijbel. Zo zijn het Daniël- en het Herodes-spel bekend. In bepaald opzicht kan men het liturgisch drama als een voorloper van het barokke oratorium zien.

 

 

 


extra


Oefenen voor Plechelmus - Herman Finkers